Leesvaardigheid oefenen voor het havo-examen Nederlands
Lees een betoog met een concrete vraag in gedachten. Wat wil de schrijver je laten aannemen, en waarom zou je dat volgens de tekst doen? Bouw uit die antwoorden een korte samenvatting op. Oefen de volgende keer met een onbekende tekst en controleer of je ook daar standpunten van verschillende sprekers uit elkaar houdt.
Laatst bijgewerkt:
Lees niet elk woord met dezelfde vraag
Je kunt een hele tekst begrijpen en toch het verkeerde argument opschrijven. Dat gebeurt bijvoorbeeld als de auteur eerst een ander aan het woord laat en daarna diens voorstel bestrijdt. Op het centraal examen Nederlands havo komen leesvaardigheid en argumentatieve vaardigheden aan bod. Oefen dus niet alleen met de vraag waarover een tekst gaat. Vraag ook wie iets beweert en welke reden die persoon daarvoor geeft. Uitleg van de Rijksoverheid over Nederlands op de havo
Lees deze zelfbedachte tekst uit een schoolkrant: ‘In de mediatheek gaat aan het eind van de middag de deur dicht, terwijl vlak daarvoor de laatste lessen uit zijn. Wie thuis geen rustige werkplek heeft, moet dan juist vertrekken. Laat de mediatheek op een paar middagen langer open. Volgens de conciërge kost dat te veel toezicht. De leerlingenraad wil daarom eerst op één middag proberen of een vrijwilliger naast de vaste medewerker genoeg hulp biedt.’
Schrijf nu zonder over te nemen waar de schrijver de lezer van wil overtuigen. ‘De openingstijden van de mediatheek’ benoemt het onderwerp. Een voorstel doet meer: de schrijver wil dat leerlingen er na de les langer kunnen werken. Wie dat verschil helder heeft, kan vervolgens de vraag stellen op welke grond de schrijver die verandering wil.
Zoek een reden en probeer het verband uit
In het voorbeeld is het gebrek aan een rustige werkplek voor sommige leerlingen een reden om langer open te blijven. Je kunt het verband controleren door de reden zelf achter ‘want’ te zetten. Probeer hetzelfde met de opmerking over het toezicht. Dan krijg je een vreemde redenering: de mediatheek zou langer open moeten blijven omdat daarvoor veel toezicht nodig is. Hier spreekt dan ook iemand die bezwaar maakt. Schrijf naast die zin ‘conciërge’ en verbind het bezwaar met het voorstel voor een proef.
Draai de vraag vervolgens om. Vraagt een opgave naar het argument van de conciërge, dan heb je niets aan een antwoord over huiswerk maken in een rumoerig huis. Onderstreep in de vraag wiens standpunt je moet uitleggen. Let ook op woorden die de reikwijdte ervan beperken. ‘Sommige leerlingen’ vervangen door ‘alle leerlingen’ verandert de bewering, ook als de rest van je antwoord overtuigend klinkt.
Schrijf een samenvatting die past bij de opdracht
Leg de tekst weg en vat het voorstel en de onderbouwing samen. Een mogelijk antwoord is: ‘De schrijver wil de mediatheek na de les langer openhouden voor leerlingen die thuis moeilijk rustig kunnen werken.’ Controleer of dat voldoende is voor de vraag. Vraagt die ook hoe de leerlingenraad het bezwaar wil ondervangen, voeg dan toe dat de raad op kleine schaal extra hulp bij het toezicht wil uitproberen.
Leg jouw versie naast het origineel en zoek precies één betekenisverschil. Misschien noemde je de proef een besluit, terwijl nog moet blijken of de oplossing werkt. Of je schreef dat vrijwilligers het personeel vervangen, terwijl de vrijwilliger juist samen met een vaste medewerker werkt. Zulke verschillen zijn interessanter voor je volgende oefening dan de vraag of je exact dezelfde woorden koos. Houd je bij een echte opgave aan de aanwijzingen in de vraag, bijvoorbeeld als je een gegeven zinsbegin moet aanvullen of maar een bepaald aantal woorden mag gebruiken.
Voorbeeldplan
Lees op maandag een kort betoog en zet alleen de standpunten in de kantlijn. Bewaar de tekst tot woensdag. Schrijf dan bij elk standpunt het bijbehorende argument en vat de hoofdgedachte in 25 woorden samen als eigen oefening. Geef je samenvatting aan een klasgenoot die het betoog heeft gelezen. Laat die aanwijzen welk zinsdeel onduidelijk maakt wie er aan het woord is. Verander alleen dat zinsdeel en lees je antwoord opnieuw.
Kies vrijdag op Examenblad bij Nederlands havo een tekst uit een tijdvak dat je nog niet hebt geoefend. Lees de tekstbijlage en maak de bijbehorende vragen over de redenering. Pak daarna het correctievoorschrift van datzelfde tijdvak. Markeer welk deel van je antwoord de gevraagde betekenis weergeeft en waar een noodzakelijk verband ontbreekt. Met de gids voor het nakijken van een oefenexamen kun je de lastigste vraag voor later bewaren.
Begin de week erop met die ene vraag op een schone bladzijde. Zoek je dit keer meteen de juiste spreker, probeer dan een tekst waarin de schrijver iemand alleen kort citeert. Haal je nog steeds het onderwerp en het standpunt door elkaar, vergelijk dan twee mogelijke koppen boven dezelfde alinea: één met alleen het onderwerp en één waarin een bewering staat. Neem die oefening op in je voorbereiding op de centrale examens.
Hoe ExamLuma je helpt
Houd eenvoudig overzicht over je eigen studieplan in ExamLuma. ↗
Stel je dagelijkse studiedoel in en volg direct hoe ver je bent. ↗
Leg al je afgeronde studiesessies overzichtelijk vast. ↗

Veelgestelde vragen
Hoe herken ik een argument als er geen ‘want’ staat?
Zoek de uitspraak die de schrijver verdedigt. Vraag vervolgens welke andere uitspraak een reden geeft om daarmee in te stemmen. Lees de zinnen samen en controleer of die relatie klopt.
Moet de mening van een tegenstander in mijn samenvatting?
Dat hangt af van de opdracht en de rol van de tegenwerping. Is de reactie van de schrijver zonder dat bezwaar onbegrijpelijk, neem het dan beknopt op en schrijf erbij van wie het komt.
Waar vind ik teksten om met examenvragen te oefenen?
Op de vakpagina Nederlands havo van Examenblad staan bij een oud tijdvak de opgaven, de bijlage met teksten en het correctievoorschrift bij elkaar.
Bronnen
- Hoe wordt mijn kennis van de Nederlandse taal getoetst op het havo? · Rijksoverheid
- Nederlands havo · College voor Toetsen en Examens

